Slachtofferzorg voor minderjarigen in Vlaanderen: een kwalitatief, exploratief onderzoek naar de ondersteuning van de behoeften van minderjarige slachtoffers van misdrijven

Auteurs

Hadermann, E. (2025).

Abstract

Slachtofferschap bij minderjarigen komt vaak voor, maar blijft in het criminologisch onderzoek een weinig onderzocht fenomeen in vergelijking met daderschap en slachtofferschap bij volwassenen. Het is echter belangrijk om verder inzicht te vergaren over wat minderjarige slachtoffers nodig hebben in hun herstelproces aangezien zij door hun ontwikkeling meer kwetsbaar zijn voor lange termijn gevolgen gedurende hun hele levensloop. Er is echter een gebrek aan onderzoek naar welke behoeften minderjarige slachtoffers kunnen ervaren. Naast de vaardigheden van de minderjarige zelf en ondersteuning vanuit de sociale omgeving draagt professionele ondersteuning in belangrijke mate bij aan het verminderen van de negatieve impact en het bevorderen van het goede verloop van het herstelproces. In Vlaanderen zijn er drie algemene diensten van slachtofferzorg die instaan voor de ondersteuning aan slachtoffers: politionele slachtofferbejegening, de dienst slachtofferonthaal bij de justitiehuizen en de dienst slachtofferhulp bij de CAW’s. Hoewel blijkt uit een interne evaluatie uit 2004 dat er binnen de diensten van slachtofferzorg in Vlaanderen onvoldoende rekening gehouden werd met de behoeften van minderjarigen, is het niet duidelijk hoe de praktijk vandaag de dag omgaat met het ondersteunen van minderjarige slachtoffers. In dit exploratief kwalitatief onderzoek staan daarom drie onderzoeksvragen centraal: (1) welke behoeften ervaren minderjarige slachtoffers van misdrijven in Vlaanderen? (2) op welke manier ondersteunen de drie diensten van slachtofferzorg in Vlaanderen minderjarige slachtoffers? (3) welke knelpunten en goede praktijken zijn er met betrekking tot de ondersteuning van minderjarige slachtoffers in Vlaanderen door de drie diensten van slachtofferzorg? Om hierop een antwoord te bieden werden tussen januari en oktober 2024 22 politieambtenaren, 12 justitieassistenten van slachtofferonthaal, 10 hulpverleners van slachtofferhulp en 10 minderjarige slachtoffers van extrafamiliaal geweld bevraagd aan de hand van kwalitatieve interviews.

Op basis van de resultaten worden vijf behoeften vastgesteld (cf. eerste onderzoeksvraag): de behoefte aan informatie, de behoefte aan emotionele ondersteuning, de behoefte aan veiligheid, de behoefte aan erkenning en de behoefte aan ondersteuning vanuit de sociale omgeving. De verschillende behoeften hangen nauw met elkaar samen, waardoor het al dan niet tegemoetkomen aan de ene behoefte implicaties heeft voor de andere behoeften.

De drie diensten van slachtofferzorg hebben elk hun eigen rol in opvang en begeleiding van minderjarige slachtoffers (cf. tweede onderzoeksvraag). De politie biedt in het contact met minderjarigen de eerste opvang door slachtoffers ruimte te geven om hun verhaal te doen en hun emoties op te vangen. Daarnaast informeren politieambtenaren minderjarigen en/of hun ouders over het verdere verloop van het politioneel onderzoek en de juridische procedure, en verwijzen ze door naar slachtofferhulp en slachtofferonthaal. De bejegening bij minderjarige slachtoffers van extrafamiliaal geweld gebeurt hoofdzakelijk door interventie- en onthaalmedewerkers, TAM-verhoorders en rechercheurs, die optreden vanuit hun basisfunctionaliteit.

Slachtofferonthaal biedt ondersteuning op sleutelmomenten tijdens de juridische procedure en biedt informatie over het verloop van de procedure en de stand van zaken van het dossier. Justitieassistenten wijzen voornamelijk door naar eerstelijns juridische bijstand en slachtofferhulp. Aangezien minderjarigen handelingsonbekwaam zijn en geen rechtshandelingen kunnen stellen, verlopen de contacten doorgaans uitsluitend met de ouders. Enkel na toestemming van de betrokken parketmagistraat of rechter is het mogelijk om een minderjarige te betrekken zonder de ouders.

Slachtofferhulp biedt langdurige psychosociale ondersteuningstrajecten aan waarbij ingezet wordt op psycho-educatie, het normaliseren van gevoelens en het bieden van concrete handvatten om met de hulpvragen om te gaan die direct verband houden met het slachtofferschap in het hier en nu. Daarnaast biedt slachtofferhulp ook informatie over het verloop van de juridische procedure. Vanaf zes jaar worden minderjarige slachtoffers als volwaardige cliënten beschouwd met een autonome hulpvraag. Ook met de ouders kan een coachingstraject opgestart worden. Slachtofferhulp verwijst minderjarigen en/of ouders voornamelijk door naar slachtofferonthaal en meer gespecialiseerde psychologische diensten.

De resultaten wijzen verder op een aantal goede praktijken en knelpunten met betrekking tot de ondersteuning van minderjarige slachtoffers door de drie diensten van slachtofferzorg (cf. derde onderzoeksvraag). Algemene goede praktijken zijn het centraal stellen van de vragen en bezorgheden van het individuele slachtoffer bij het invullen van de ondersteuning, de doorverwijsdynamiek tussen de drie diensten slachtofferzorg, het expliciet aangeven in de doorverwijzing wanneer de minderjarige zelf gecontacteerd wil worden en het onderling bespreken van de samenwerking tussen de drie diensten tijdens de netwerken slachtofferzorg.

Verder zijn er een aantal algemene knelpunten gerelateerd aan de doorverwijspraktijk: niet alle jongeren die verdere ondersteuning wilden of hierbij baat zouden hebben, worden (snel genoeg) doorverwezen; de expertise van slachtofferhulp en slachtofferonthaal in verband met minderjarigen is niet altijd duidelijk voor medewerkers van andere diensten; voor eerstelijns politieambtenaren blijkt doorverwijzing geen courante praktijk; en vaak worden de contactgegevens van de ouders doorgegeven waardoor het eerste contact na doorverwijzing doorgaans met hen verloopt. Het is eveneens een knelpunt dat er vaak teruggevallen wordt op de input van de ouders om de ondersteuning vorm te geven zonder de minderjarige te bevragen. Specifieke knelpunten met betrekking tot de politie zijn dat niet alle politieambtenaren even vaardig zijn in het bejegenen van slachtoffers, dat het voor jongeren niet duidelijk is welke informatie zij van de politie kunnen verwachten over het dossier en dat minderjarige slachtoffers het audiovisueel verhoor ervaren als onaangenaam terwijl het bedoeld is om secundaire victimisatie te voorkomen. Specifiek voor slachtofferonthaal zijn het knelpunten dat justitieassistenten enkel mits toestemming van de betrokken parketmagistraat of rechter een minderjarig slachtoffer rechtstreeks kunnen contacteren wanneer er geen ouders betrokken zijn en dat minderjarigen onwetend zijn over de rol die slachtofferonthaal kan spelen in informatieverstrekking over het dossier. Specifiek voor slachtofferhulp kan de lange wachttijd die er is voor er een ondersteuningstraject opgestart kan worden na het intakegesprek ervoor zorgen dat slachtoffers zich in de kou voelen staan.

Op basis van de bevindingen wordt o.a. aanbevolen voor de drie diensten om (verder) in te zetten op een aanklampende aanpak waarbij het ondersteunings- en/of doorverwijsaanbod meer dan één keer geformuleerd wordt, bij voorkeur aan de minderjarige zelf. Verder is het aanbevolen om in te zetten op kindvriendelijke inrichting van de lokalen waarin de gesprekken met de minderjarigen plaatsvinden en op het voorzien van een specifieke opleiding voor de drie diensten van slachtofferzorg inzake omgaan met minderjarige slachtoffers. Daarnaast wordt aanbevolen om slachtofferhulp van voldoende middelen te voorzien om de wachttijd voor de opstart van een ondersteuningstraject na het intakegesprek te verminderen en om het mogelijk te maken voor alle diensten slachtofferhulp om na een aantal maanden opnieuw contact op te nemen met het slachtoffer om na te gaan of verdere ondersteuning aan de orde is. Om de praktische expertise bovendien duurzaam te ontwikkelen, is structureel overleg tussen politieambtenaren onderling en tussen justitieassistenten onderling aanbevolen, bijvoorbeeld in de vorm van ‘leergroepen’, vergelijkbaar met de ‘leergroep kinderwerking’ bij slachtofferhulp. Verder is het opportuun om minderjarigen te ondersteunen in hun zoektocht naar professionele ondersteuning door hen en hun omgeving te voorzien van informatie over de beschikbare diensten, het aanbod proactief voor te stellen in scholen en verder in te zetten op laagdrempelige aanspreekpunten voor minderjarigen (bv. school, jeugdbeweging, OverKophuizen).

Tot slot is het, gezien de kennis over behoeften van minderjarige slachtoffers en hun hulpzoekgedrag nog schaars is, algemeen aanbevolen om dit verder te onderzoeken, zowel kwalitatief, kwantitatief, cross-sectioneel als longitudinaal. Opdat toekomstig onderzoek zou bijdragen aan een nazorg die aansluit bij alle minderjarige slachtoffers is het belangrijk om ook aandacht te hebben voor andere diensten dan de drie diensten van slachtofferzorg (bv. ZSG, JAC, OverKop), voor minderjarige slachtoffers die (om welke reden dan ook) niet bij professionele ondersteuningsdiensten terechtkomen en voor de kansen en uitdagingen die gepaard gaan met de informele ondersteuning die de sociale omgeving biedt. Specifiek voor het Vlaamse onderzoekslandschap is het aanbevolen dat het Jeugdonderzoeksplatform slachtofferschap en hulpzoekgedrag structureel blijft opnemen in de grootschalige en breed representatieve bevragingen van jongeren zodat er op regelmatige basis actuele cijfers beschikbaar blijven.

Victimization among minors occurs frequently but remains an underexplored phenomenon in criminological research compared to offending behavior and victimization among adults. Yet, gaining deeper insight into what minor victims need in their recovery process is crucial, as their developmental stage makes them more vulnerable to long-term consequences throughout their life course. However, little is known about the specific needs that minor victims may experience. In addition to the minor’s own coping abilities and support from their social environment, professional support plays a significant role in mitigating the negative impact of victimization and fostering recovery. In Flanders, three general victim support services are responsible for assisting victims: police victim support, judicial victim support, and psychosocial victim support provided by the General Welfare Centers. Although an internal evaluation conducted in 2004 indicated that the needs of minors were insufficiently considered within these victim support services, it remains unclear how current practice addresses the support to minor victims. Therefore, this exploratory qualitative study focuses on three central research questions: (1) what needs do minor victims of crime in Flanders experience? (2) how do the three Flemish victim support services assist minor victims? (3) what challenges and good practices exist regarding the support of minor victims in Flanders across the three services? To answer these questions, between January and October 2024, qualitative interviews were conducted with 22 police officers, 12 judicial victim support assistants, 10 psychosocial victim support providers, and 10 minor victims of extrafamilial violence.

Based on the results, five needs were identified (cf. research question one): the need for information, the need for emotional support, the need for safety, the need for recognition, and the need for support from the social environment. These needs are closely interconnected, meaning that meeting (or failing to meet) one need has implications for the others.

The three victim support services each play their own role in supporting minor victims (cf. research question two). In their contact with minors, the police provide initial support by giving victims space to tell their story and by responding to their emotions. Police officers also inform minors and/or their parents about the further course of the police investigation and the legal procedure, and they refer them to psychosocial and judicial victim support. Supporting minor victims of extrafamilial violence is mainly carried out by intervention and reception officers, specialized audiovisual interviewers, and investigators, who operate within their basic police functionality.

Judicial victim support provides support at key moments during the legal procedure and offers information about the course of the procedure and the status of the case. Justice assistants primarily refer victims to first-line legal assistance and psychosocial victim assistance. Since minors lack the judicial capacity to act and cannot perform legal acts, contacts generally take place exclusively with the parents. Only with the consent of the relevant public prosecutor or judge is it possible to involve the minor without the parents.

Psychosocial victim support provides long-term psychosocial support trajectories, focusing on psychoeducation, normalizing feelings, and offering specific tools to address issues directly related to the victimization in the here and now. Psychosocial victim support also provides information about the legal procedure. From the age of six, minor victims are considered full-fledged clients with an autonomous support request. A coaching trajectory can also be initiated with the parents. Victim assistance typically refers minors and/or parents to judicial victim support and more specialized psychological services.

The results further point to several good practices and obstacles regarding the support of minor victims by the three victim support services (cf. research question three). General good practices include centering the questions and concerns of the individual victim when providing support, the referral dynamics between the three services, explicitly indicating in referrals when the minor wishes to be contacted directly, and discussing interagency collaboration during victim support network meetings.

A number of general obstacles related to referral practices were also identified: not all young people who wanted further support or would benefit from it are (timely) referred; the expertise of psychosocial victim support and judicial victim support regarding minors is not always clear to staff of other services; referral is not a common practice for frontline police officers; and contact information for parents is often used for referrals, meaning that the first contact after referral usually occurs with them. Another obstacle is the frequent reliance on parental input for shaping the support without directly consulting the minor. Specific challenges for the police include varying levels of skill among officers in supporting and treating victims, minors’ uncertainty about what information they can expect from the police about their case, and the fact that minor victims often experience audiovisual interviews as unpleasant, even though these interviews are intended to prevent secondary victimization. For judicial victim support, specific obstacles include that justice assistants can only contact a minor victim directly without the parents’ involvement if permission is granted by the relevant prosecutor or judge, and that minors are often unaware of the role judicial victim support can play in providing information about the case. For psychosocial victim support, long waiting times before a support trajectory can begin after the intake interview may leave victims feeling left behind.

Based on the findings, it is recommended that all three services continue to invest in a proactive, outreach-oriented approach in which support and/or referral options are discussed more than once, preferably directly with the minor. It is also recommended to invest in child-friendly spaces and to provide specific training for the three victim support services on working with minor victims. Furthermore, it is recommended to provide psychosocial victim support with sufficient resources to reduce waiting times before support trajectories begin and to enable all psychosocial victim support services to contact victims again after several months to assess whether further support is needed. To sustainably develop practical expertise, structural knowledge exchange within and between the services is recommended, such as peer learning groups comparable to the ‘minor victim learning group’ within psychosocial victim support.In addition, it is advisable to support minors in their search for professional support by providing them and their environment with information about available services, by proactively presenting the different support organisations in schools, and by further investing in easily accessible contact points for minors (e.g., schools, youth movements, ‘OverKop’ centers).

Finally, given the limited knowledge on the needs of minor victims and their help-seeking behavior, further research is generally recommended, both qualitative, quantitative, cross-sectional and longitudinal. For future research to contribute to victim support that meets the needs of all minor victims, it is important to also consider services beyond the three victim support services (e.g., ‘ZSG’, ‘JAC’, ‘OverKop’), minor victims who do not access professional support services (for any reason), and the opportunities and challenges associated with informal support from the social environment. Specifically for the Flemish research landscape, it is recommended that the Youth Research Platform continues to structurally include victimization and help-seeking behavior in their large-scale and broadly representative youth surveys to ensure that up-to-date statistics remain regularly available.

Referentie

Hadermann, E. (2025). Slachtofferzorg voor minderjarigen in Vlaanderen: een kwalitatief, exploratief onderzoek naar de ondersteuning van de behoeften van minderjarige slachtoffers van misdrijven. Katholieke Universiteit Leuven. Leuvens Instituut voor Criminologie, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Leuven, België. [Doctoraatsthesis]

Taal

Nederlands

 

Publicatievorm

Doctoraatsthesis