Deelnemen aan jeugdverenigingen en ‘andere dingen doen’. Licht op de vrijetijdsbesteding van jongeren als beleidsvraagstuk.
Auteurs
Van de Walle, T. (2013)

Abstract
Hoofdstuk 8 valt uiteen in drie delen. In een eerste deel wordt een algemeen beeld geschetst van de vrije tijd van Vlaamse jongeren. 57% van de Vlaamse 14 tot 30-jarigen is actief of organiserend deelnemer in het verenigingsleven: een derde van de Vlaamse jongeren (34.9%) sport in georganiseerd verband. 19.2 % van de 14 tot 30-jarigen is deelnemer in een jeugdvereniging en dan is er nog 33.7 % Vlaamse jongeren die deelneemt aan een andere dan sport- of jeugdvereniging. Naar verwachting zijn sportverenigingen eveneens het populairste verenigingstype bij 12 en 13-jarigen en zien we dat 12 en 13-jarigen over het algemeen actiever zijn in het verenigingsleven dan oudere jongeren. Met betrekking tot de vrijwillige inzet van Vlaamse jongeren doet 39.5 % van de 14 tot 30-jarigen naar eigen zeggen wel eens aan vrijwilligerswerk (in tegenstelling tot ‘nooit’). Wanneer we de 15.1 % organisatoren in het verenigingsleven in rekening brengen dan wordt dit 44.4 %. Bij de 12 tot 13-jarigen zegt ongeveer een derde dat ze wel eens aan vrijwilligerswerk doen. Wat de vrije tijd van Vlaamse jongeren boven de 14 jaar betreft, gaat 57.4 % van hen dagelijks op internet als ontspanning. Ook zegt 31.7 % dat ze dagelijks op internet gaan voor hun huiswerk, studies of werk. Andere belangrijke daginvullingen zijn ‘met vrienden sms’en of bellen’ (43.6 %), ‘TV/DVD kijken (ook films, series op computer)’ (35.6 %) en ‘klusjes thuis/huishoudelijke taken’ (33.1 %). De 12 en 13-jarigen kijken op hun beurt iets meer (dagelijks) TV/DVD dan dat ze op het internet gaan. Maar ook hier vormen deze twee activiteiten de top drie samen met ‘sms’en of bellen met vrienden’. Bijna de helft van de jongeren vanaf 14 (48.9 %) doet wekelijks tot meermaals per maand aan sport en 58.3 % van de 12 en 13-jarigen.
In het tweede deel bekijken we trends in vrijetijdsbesteding voor Vlaamse jongeren tussen 14 en 25 jaar. De vergelijking met voorbije Vlaamse JOP-monitors laat zien dat het dagelijks gebruik van internettoepassingen bij jongeren de voorbije jaren (inderdaad) in stijgende lijn is gegaan. Tegelijk zien we geen evenredige daling in de deelname aan vrijetijdsbestedingen die face-to-face contact impliceren en andere offline vrijetijdsbestedingen die vaak als met uitsterven bedreigd worden gezien (sport, lezen, buiten zijn…). Er zijn geen indicaties dat het internet de vrije tijd van (alle) jongeren verarmt, integendeel. Dit neemt echter niet weg dat bepaalde discussies omtrent de digitalisering van de leefwereld van jongeren – met inbegrip van de aandacht voor ongelijkheid hierbinnen – aan de orde blijven.
In een laatste deel bekijken we in hoeverre er ‘grote’ groepen jongeren zijn die een andere invulling geven aan hun vrije tijd dan de meerderheidsjongeren (of ‘Jan Modaal’). Voor jongeren in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs vinden we inderdaad vier dergelijke profielen. De jongeren die het kenmerk delen dat ze weinig vrije tijd (vanuit) thuis doorbrengen en heel actief zijn in het verenigingsleven, zijn een duidelijke minderheid onder de scholieren. De tegenpool van deze groep is een groep jongeren die tien maal groter is en in vergelijking met anderen zeer zelden gebruik maakt van het georganiseerd vrijetijdsaanbod. Er wordt in deze groep ook minder gesport. In overeenstemming met de literatuur vinden we dat oudere scholieren, meisjes, jongeren van niet-Belgische afkomst en jongeren uit gezinnen met een lage beroepsstatus een grotere kans hebben bij deze groep te horen, hoewel ook deze groep een gevarieerde socio-demografische samenstelling heeft. Daarnaast ontdekken we een vrijetijdsprofiel dat gekenmerkt wordt door een gerichtheid op de familiale kring enerzijds, en een commerciële component (uitgaan en gaming) anderzijds. Er wordt in deze groep frequent gewinkeld en aan sport gedaan, al gebeurt dit laatste relatief zelden in georganiseerd verband. Jongens, jongeren van niet-Belgische afkomst en kinderen uit blue collar gezinnen hebben een hogere kans dan anderen om tot deze groep te behoren. Tot slot is er nog een groep van jongeren die een creatieve en huiselijke vrijetijdsstijl delen. Deze groep onderscheidt zich door een relatieve hoge interesse voor (georganiseerde) artistieke hobby’s, de huiselijke vrijetijdsactiviteiten en een intense mobiele communicatie met vrienden. Meisjes onder de 18 jaar uit white collar gezinnen behoren typisch tot deze groep, maar opnieuw valt het vrijetijdsen het sociaal-demografisch profiel niet helemaal samen.
De data inzake vrije tijd uit de JOP-bevragingen roepen de vraag op in welke mate de ontwikkelingen in het sociaal-culturele veld in lijn zijn met het besef van een diversiteit in vrijetijdsinteresses, -agenda’s en -mogelijkheden van jonge mensen? En in welke mate deze ontwikkelingen in lijn zijn met het besef dat jongeren in hun vrijetijdsgedrag weinig rekening houden met beleidsgrenzen?
Referentie
Van de Walle, T. (2013) Deelnemen aan jeugdverenigingen en ‘andere dingen doen’. Licht op de vrijetijdsbesteding van jongeren als beleidsvraagstuk. In: Bradt, L., Pleysier, S., Put, J., Siongers, J., Spruyt, B. Jongeren in cijfers en letters. Bevindingen uit de JOP-monitor 3 en de JOPschoolmonitor 2013 (pp 184-216), Leuven: Acco
Taal
Nederlands
Publicatievorm
Boek
ISBN – ISSN
978-90-334-9558-8
Trefwoorden
Algemene cijfers, diversiteit, ICT, interculturaliteit, jeugdwerk, kansenongelijkheid, participatie, sport, varia, vrienden, vrijetijdsbeleving, vrijetijdsbesteding
