Both a Blessing and a Curse: A Qualitative Study of the Experiences and Challenges of Autonomy During the Doctoral Trajectory in Belgium.
Auteurs
Glorieux, A., Spruyt, B., & van Tienoven, T. P.

Abstract
Doel/doelstelling: Deze studie onderzoekt hoe promovendi autonomie (d.w.z. zelfbestuur en het vermogen om zinvolle, zelfgestuurde keuzes te maken) ervaren in hun doctoraatstraject. Het onderzoekt hun verwachtingen met betrekking tot autonomie, de verschillende vormen van autonomie die ze tijdens hun doctoraatstraject tegenkomen en de dynamiek die autonomie uitdagend maakt.
Achtergrond: Promovendi, net als de academische wereld in het algemeen, balanceren tussen het uitoefenen van autonomie en het voldoen aan standaardisatie en regelgeving. Binnen deze context onderzoekt deze studie hoe promovendi erin slagen een evenwicht te vinden tussen autonomie en vrijheid en ernaar streven te voldoen aan de hoge en strenge eisen voor het behalen van een doctoraat. Het theoretische kader voor deze studie bestaat uit Berlins (1969) twee concepten van vrijheid en de zelfbeschikkingstheorie.
Methodologie: We gebruiken kwalitatieve gegevens van negen focusgroepen en drie individuele interviews met promovendi (n=42). De gegevens worden geanalyseerd met behulp van thematische inhoudsanalyse.
Bijdrage: Eerder onderzoek benadrukte het belang van autonomie in het doctoraatstraject
en toonde aan dat autonomie verschillende dimensies en kenmerken kan hebben. Er is echter weinig onderzoek gedaan naar de verwachtingen van doctoraatsstudenten met betrekking tot autonomie en hoe autonomie zich manifesteert in hun traject, rekening houdend met verschillende dimensies van autonomie. Deze studie levert een bijdrage door de verwachtingen en ervaringen van promovendi met betrekking tot autonomie te onderzoeken, evenals de verschillen hierin tussen disciplines (d.w.z. levenswetenschappen en geneeskunde, natuurwetenschappen en biowetenschappen, techniek en menswetenschappen) en soorten aanstellingen (d.w.z. onderwijsassistenten, persoonlijk mandaat of projectfinanciering). Uit de literatuur blijkt ook dat autonomie in de werkomgeving niet per definitie gunstig is. Een tweede bijdrage van deze studie is het identificeren van uitdagingen en mogelijke valkuilen in verband met autonomie in de context van een doctoraat.
Bevindingen: Ten eerste beschouwen promovendi autonomie als essentieel voor hun onderzoek, omdat dit vereist dat ze nieuwe kennis creëren, zich kunnen aanpassen aan onvoorziene gebeurtenissen en leren hoe ze een onafhankelijke wetenschapper kunnen worden. Promovendi verwachten vooral autonomie in hun tijdsbesteding, vrijheid om zich te ontwikkelen en een gevoel van eigenaarschap over het project. Hun ervaringen weerspiegelen echter vooral operationele autonomie (d.w.z. autonomie met betrekking tot de uitvoering en organisatie van onderzoek) in plaats van strategische autonomie (d.w.z. autonomie met betrekking tot de onderzoeksagenda en -inhoud). Ten tweede zijn er expliciete uitdagingen en valkuilen verbonden aan autonomie. Promovendi worden vooral geconfronteerd met ‘negatieve vrijheid’ en ervaren autonomie vaak als chaos, waarbij ze een gebrek aan duidelijke verwachtingen, een gebrek aan controle, een gebrek aan interactie en een gebrek aan ondersteuning door hun promotor als belangrijke valkuilen noemen. Twee belangrijke dynamieken
die aan deze problemen bijdragen, zijn de specifieke relatie tussen begeleider en begeleide en tegenstrijdige rolpercepties. Daarnaast bracht het onderzoek systematische verschillen in deze zaken tussen en binnen disciplines aan het licht. Deze inzichten bieden een genuanceerd begrip van de autonomie die promovendi ervaren
en benadrukken de noodzaak voor instellingen om opnieuw na te denken over hoe zij promovendi ondersteunen bij het omgaan met autonomie.
Aanbevelingen voor praktijkbeoefenaars: Deze bevindingen geven aan dat instellingen en begeleiders een omgeving moeten creëren waarin autonomie wordt ervaren als positieve vrijheid. Om dit te bereiken moet een evenwicht worden gevonden tussen academische vrijheid en verantwoordingsmaatregelen (zoals het opleiden van begeleiders en co-begeleiding en het geven van regelmatige feedback) om de kwaliteit van de begeleiding te verbeteren. Begeleiders kunnen op hun beurt de autonomie van promovendi bevorderen door regelmatige interacties te faciliteren, constructieve feedback te geven en ervoor te zorgen dat hun expertise op elkaar is afgestemd. Impact op de samenleving De ‘publish or perish’-cultuur, die wordt gekenmerkt door standaardisatie en besluitvorming op basis van vaste prestatiemaatstaven, vermindert de strategische autonomie van promovendi. Overmatige operationele autonomie kan worden gezien als chaos, wat een uitdaging vormt voor gelijke kansen en resultaten onder promovendi. Bovendien versterkt het gevoelens van twijfel aan zichzelf en draagt het bij aan de ontwikkeling van het impostorsyndroom.
Toekomstig onderzoek: Toekomstig onderzoek moet nagaan hoe autonomie voortkomt uit de dialoog
tussen supervisors en promovendi. Het moet ook onderzoeken welke ondersteuningsmechanismen supervisors nodig hebben om autonomie te ondersteunen en hoe supervisors hun ondersteuning van autonomie afstemmen op de heterogene groep promovendi. Verder zou toekomstig onderzoek zich kunnen richten op het identificeren en uitwerken van aanvullende dynamieken die het omgaan met autonomie binnen de doctoraatscontext bemoeilijken.
Aim/Purpose: This study investigates how PhD candidates experience autonomy (i.e., self-governance and the capacity to make meaningful, self-directed choices) in their doctoral trajectory. It examines their expectations regarding autonomy, the various forms of autonomy they encounter during their doctoral trajectory, and the dynamics that make autonomy challenging.
Background: PhD candidates, akin to the academic world at large, navigate a tension between exercising autonomy and conforming to standardization and regulatory frameworks. Within this context, this study explores how PhD candidates manage to balance autonomy and freedom and strive to meet the high and rigorous standards of obtaining a doctoral degree. The theoretical framework for this study consists of Berlin’s (1969) Two concepts of liberty and self-determination theory.
Methodology: We use qualitative data from nine focus groups and three one-on-one interviews with PhD candidates (n=42). Data are analyzed using thematic content analysis.
Contribution: Previous research highlighted the importance of autonomy in the doctoral
trajectory and showed that autonomy can have different dimensions and characteristics. However, research on PhD candidates’ expectations regarding autonomy and how autonomy manifests itself in their trajectory is lacking, considering different dimensions of autonomy. This study contributes by exploring the expectations and experiences of autonomy among PhD candidates and variations herein across disciplines (i.e., life sciences and medicine, natural sciences and bioscience, engineering, and human sciences) and types of appointments (i.e., teaching assistants, personal mandate, or project funding). Literature also shows that autonomy in the work environment is not, by default, beneficial. A second contribution of this study is the identification of challenges and potential pitfalls associated with autonomy in the doctoral context.
Findings: First, PhD candidates deem autonomy essential for their research, as it requires creating new knowledge, being able to adapt to unforeseen events, and learning how to become an independent scholar. PhD candidates mainly expect autonomy in their control over time, freedom to develop themselves, and a sense of ownership over the project. However, their experiences predominantly reflect operational autonomy (i.e., autonomy regarding the conduct and organization of research) rather than strategic autonomy (i.e., autonomy regarding the research agenda and content). Second, there are explicit challenges and pitfalls associated with autonomy. PhD candidates mainly encounter “negative freedom,” and often experience autonomy as chaos, citing a lack of clear expectations, lack of control, lack of interaction, and lack of supervisory support as significant pitfalls. Two key dynamics
contributing to these issues are the specific supervisor-supervisee relationship and conflicting role perceptions. Additionally, the study identified systematic differences in these matters across and within disciplines. These insights provide a nuanced understanding of the autonomy experienced by
PhD candidates and highlight the need for institutions to rethink how they support PhD candidates in managing autonomy.
Recommendations for Practitioners: These findings indicate that institutions and supervisors should cultivate an environment wherein autonomy is experienced as positive freedom. Achieving this involves balancing academic freedom with accountability measures (such as training supervisors and co-supervisorship and providing regular feedback) to enhance the quality of supervision. Supervisors, in turn, can promote autonomy for PhD candidates by facilitating regular interactions, providing constructive feedback, and ensuring expertise alignment. Impact on Society The “publish or perish” culture, characterized by standardization and decision-making based on fixed performance measures, diminishes strategic autonomy for PhD candidates. Excessive operational autonomy can be perceived as chaos, challenging equitable opportunities and outcomes among PhD candidates. Furthermore, it exacerbates feelings of self-doubt and contributes to the development of imposter syndrome.
Future Research: Future research should explore how autonomy emerges from the dialogue
between supervisors and PhD candidates. It should also investigate the support mechanisms supervisors require to be supportive of autonomy and examine how supervisors tailor their autonomy support to accommodate the heterogeneous group of PhD candidates. Furthermore, future research could focus on identifying and elaborating on additional dynamics that complicate dealing with autonomy within the doctoral context.
Referentie
Glorieux, A., Spruyt, B., & van Tienoven, T. P. (2025). Both a Blessing and a Curse: A Qualitative Study of the Experiences and Challenges of Autonomy During the Doctoral Trajectory in Belgium. International Journal of Doctoral Studies, 20, Article 4. https://doi.org/10.28945/5464
Taal
Engels
Publicatievorm
Tijdschriftartikel
ISBN – DOI
https://doi.org/10.28945/5464
